Tante Riet

Morgen (vandaag) is Tammar jarig. Acht jaar wordt ze. Tammar is “me Tammartje en me liefie.” Toen ze net geboren was, lag ze met mij alleen in een ziekenhuiskamer en mama moest nog gehecht worden. Het was heel anders dan toen Hans geboren was en er verontrusting was. Dit ging allemaal goed, en ik mocht gewoon zonder arts, verpleegster of moeder met haar op één kamer wachten tot mama kwam.

Ze heeft zich ontwikkeld tot een jongensachtige meid. Ze is wild en onbezonnen, heeft haar benen altijd onder de blauwe plekken of korsten. Ze rent eerst, dan pas denkt ze na waarheen. Ze trekt even makkelijk een voetbalpak van Messi aan als een zomerjurkje, het staat haar allebei. Luisteren vind ze lastig, en als ik zou willen zou ik zo een stempel met ADHD kunnen halen bij de dokter. Maar dat doe ik niet, want ze is gewoon druk. En schattig.

Vanavond, op een andere verjaardag was er een oude tante van mevrouw Mack. Uit Leien ofzo. Met een Leiens accent, godvurregeme. Tammar had haar nog nooit gezien, maar ze was niet weg te slaan naast deze mevrouw. Ik was stomverbaasd over de klik die de tante en Tammar hadden. Tammar had haar al uitgenodigd op haar verjaardag en ze mocht ook blijven slapen, en ook heeft ze ons telefoonnummer gegeven zodat de tante morgen kan bellen. Geheel spontaan pakte de tante vijf euro en gaf die aan Tammar. Tammar was blij verrast en gaf tante Riet, want zo heet ze, een zoen.

Ik heb zelden zoiets meegemaakt. Daar zit je dan als vader te kijken naar je dochter die als het haar gevraagd werd zo zou overlopen naar tante Riet…

me tammartje

Eva en de Indiaan.

Ik ben geen groot fan van haar of haar praatprogramma’s, maar nu had ze toch een programma dat me vasthield. Eva Jinek reisde door haar geboorteland en gaf een inkijkje in de Verenigde Staten van Amerika. Precies het inkijkje dat ik wilde want normaal gesproken zie je alleen de extremen en krijg je het beeld van een volkomen geschifte bevolking. Ze bezocht mensen van verschillende bevolkingsgroepen en praatte met hen over het verleden, het heden en de toekomst.

Een van oorsprong Arabische mevrouw, een kapper in een zwarte wijk, een Mexicaanse immigrant, wat blanke bejaarden, allemaal hadden ze een verhaal en een voorliefde voor Amerika. Het verhaal wat vrijwel iedereen vertelde was dat iedereen Amerikaan kon worden, als je Amerika maar in je hart sloot. De zwarten vertelden over Obama, over hoe trots ze waren en over hoe ze nog dagelijks met racisme te maken hadden, en hun levens daarop aanpasten. Dat ze hun kinderen leerden hoe met de politie om te gaan omdat ze anders het gevaar liepen te worden doodgeschoten. Dat ze bang waren voor Trump. De Arabische mevrouw was hartelijk en vertelde dat ze zich had moeten aanpassen, maar ze hoefde haar afkomst en cultuur niet te verloochenen. Maar ook zij was bang voor Trump. De Mexicaanse man zei niet zoveel, behalve dat hij in Amerika een goed bestaan had weten op te bouwen. De blanken vonden het jammer dat er een steeds grotere groep Mexicanen kwam die het niet nodig vond om Engels te leren, en voelden zich een beetje verraden. Maar zeiden ze, we zijn allemaal immigranten, het maakt niet uit waar je vandaan komt, het gaat om wat je doet. De enige echte Amerikanen zijn de indianen.

En dus bezocht Eva een indiaan, die woonde in een omgeving die je bij een indiaan zou verwachten. Hij werd gelijk spiritueel en Eva emotioneel. En ik dacht bij mezelf: Nou ben ik zo’n nuchtere en hoog opgeleide westerling geworden die niet gelooft in rokende stenen en de gebruiken van de Indiaan, maar alles in mij kreeg sympathie voor de Indiaan. Eva onderging de rituelen en moest huilen, en de Indiaan sprak ondertussen wijze woorden. Ik zou het ritueel ook ondergaan hebben, niet alleen om de Indiaan niet te kwetsen, maar omdat kennelijk alles in deze westerling verlangt naar de rust, de wijsheid en de spiritualiteit die de Indiaan bezat. Alsof in mijn DNA geschreven staat dat Indianen oneindig veel meer weten over het leven en de dood. Alsof mijn eerste natuur werd geraakt. Een oude Japanner zou waarschijnlijk een zelfde uitwerking op me hebben. Of een stamoudste in Afrika. Zorgelijk. Want ik ben een gejaagde westerling.

Vermoeid

Ik las een paar weken terug een boek van Jari Litmanen waarin hij schreef dat hij aan het einde van een bepaald seizoen doodmoe was. Dat hij zich pas na twee weken vakantie weer een beetje uitgerust voelde. Ik vond dat een beetje overdreven. Je krijgt tenslotte elke nacht rust. Maar nu, na al een aantal weken bezig te zijn in huis, weliswaar onderbroken door mijn werk, voelde ik vanochtend de vermoeidheid in mijn lijf.

Nu had ik gisteren 10 uur en 50 minuten nodig om een Ikea Pax kast in elkaar te zetten, dus dat hakte er wel in. Ik verlies vooral veel tijd met het constant zoeken naar mijn gereedschap, dat elke keer weg is. Het eindresultaat mag er gelukkig zijn, en mevrouw Mack is er helemaal blij mee. Maar vandaag moesten we weer verder met het gereed maken van de slaapkamers van de kinderen. Al maanden slapen ze bij elkaar, omdat we een kamer nodig hadden als opslagruimte. Nieuw behang, nieuw verfje, nieuwe vloerbedekking, nieuwe meubels, alles nieuw. Het was ook hoognodig, na 14 jaar in dit huis.

Nu ligt er boven vloerbedekking, en dat is wel zo fijn lopen als je net je bed uit komt. De kinderen hebben weer een eigen kamer, en langzaam begint het er weer op te lijken. Morgen even iets rustiger aan, want de vermoeidheid zit in me. Ik kan me niet herinneren dat ik dat ooit eerder heb gevoeld, maar ik ben dan al ook al bijna 47. Jari was pas achter in de twintig. Wat dat betreft zou ik profvoetballer moeten zijn geworden. Tot mijn 47e niet moe te krijgen.

 

Rio de Janeiro 2016

Het valt wat tegen, de Nederlandse medailleoogst op de Spelen. Gelukkig is meedoen belangrijker dan winnen, hoewel dat natuurlijk alleen voor de sporters geldt. Voor de toeschouwers moet er gewonnen worden, want na winst mag je feesten, en feesten is een manier om het kneuterige bestaan even te doen vergeten. De ene na de andere medaillekandidaat vliegt er momenteel uit. In het Holland Heineken House staan ze te wachten tot het los kan barsten. Een judoka met brons, wat maakt het uit, we doen net of we eerste zijn geworden.

Vandaag kreeg ik een pushbericht. Ik dacht dat er een ramp was gebeurd. Gelukkig was het een gouden medaille voor Nederland. Twee roeisters die we niet kenden waren de beste van het toernooi. Ook wel eens fijn, na al die decepties tot nu toe. Het zal toch gebeuren dat je met je sponsors in het HHH staat te wachten en er komt geen succes! Dat zou toch uitermate irritant zijn. Sta je daar met je biertje. Een verregende vakantie!

Iemand heeft het zelfs voor elkaar gekregen dat golf een Olympische sport is geworden. De toppers schitteren door afwezigheid. Zikavirus, zeggen ze. Schijnt alleen gevaarlijk te zijn voor golfers. Ondertussen staan zij ergens op een toernooi waar wel geldprijzen te verdienen zijn. Want meedoen is tenslotte belangrijker dan winnen.

Men zegt…

Men zegt dat je maar één keer leeft. Dat we zijn ontstaan uit een gaswolk en zwaartekracht. Dat we vroeger samenklonterden en zo de aarde vormden. En dat we begonnen als microben en uiteindelijk mensen zijn geworden. Dat we hier toevallig zijn en dat alles in chronologische vorm verloopt, van geboorte tot aan de dood. En na de dood, zegt men, zijn we weg, weten we niet meer, en kan niemand ons nog bereiken. Dat was het dan. We zijn hier toevallig en het dient geen enkel doel. Als de zwaartekracht ons niet gevormd had, had niemand geweten dat we er niet waren en was het heelal nu een plek waarvan niemand kon getuigen dat het er was.

Wij mensen kunnen ons afvragen waarom, alleen omdat we mensen zijn. Zou het niet verder gekomen zijn dan microben, dan zou dat zelfs niet gaan. Dan waren we gewoon. Dan had ik dit niet kunnen schrijven en niemand zou zich ooit over iets druk gemaakt hebben, want er was niemand. De aarde als eenzame planeet in een heelal dat niets om ons geeft. Jupiter, da’s de enige die om ons geeft en vangt voor ons veel klappen op. Daarom konden we uiteindelijk mensen worden, zo zegt men.

Het wordt nog erger. Uiteindelijk doven alle sterren uit en wordt het heelal één grote donkere leegte. Wij zijn er dan niet meer, alleen de leegte. Tja, en dat was het dan. In de tussentijd waren wij heel even hier, in een heel klein hoekje, om een foto te maken van wat er was. Die foto moeten we naar buiten zien te krijgen, opdat hij niet vergaat in dit heelal, waarin we hopeloos gevangen zitten. Zelfs onze gedachten, waarvan men zegt dat je ze nooit gevangen kunt zetten, weten er niet uit te komen. Het is een hopeloze en uitzichtloze situatie.

Je zou er haast gelovig van worden.

 

Milo

Dat leek me nu een leuk grapje, mijn vorige logje heet Millau, en deze heet dan Milo. Overigens spreek je Millau uit als Miejo,  dat wist u vast niet. Milo is onze logeerhond. Net zo groot als de onze, alleen met een wat breder lijf en een dikke doggenkop.
Milo

Een ontzettend lief beest, maar toch zal ik blij zijn als hij morgen weer wordt opgehaald. Het is best een opgave, als je ze alletwee uitlaat en ze beginnen te trekken. Dan moet je toch alle zeilen bijzetten om ze tegen te houden. En aangezien Milo een mannetje is en het niet accepteert als een ander mannetje iets te vrij met Randi omgaat, wil hij zich nog wel eens laten gelden. Verder is hij ongevaarlijk, behalve als je op de bank zit en hij komt je begroeten. Dan zet hij het liefst zijn poten op je schouders en begint je te likken. Zonder zwemdiploma’s overleef je dat niet. En je kunt een klap krijgen van zijn zwiepende staart als je niet uitkijkt.

De laatste tijd is het wat onrustig in de buurt en ik zag twee politiemotoren met zwaailicht achter twee rendende jongemannen aan zitten. De volgende dag hoorde ik de sirene van twee kanten komen. Gisteren was het weer raak met herriemakende jeugd en ik besloot er zelf heen te gaan. Uiteraard vergezeld van Randi en Milo. Ik trof twee jongens en twee meisjes aan, en vroeg of alles goed was. Dat was het, en of het met mij ook goed was. Ja, ook wel, en ik liep door. De honden trokken aan hun riemen, en wilden op de jongens af. Met kwispelende staarten, dat vond ik jammer. Maar dat zagen ze niet. Zometeen ga ik er weer even langs. Nobody fucks with Mack. Or Randi. Or Milo.

Millau

Tijdens zo’n terugreis waarbij je uren zit te sturen en die je nu eenmaal niet vol praat, gaan de gedachten nog wel eens met mij aan de haal. Weemoedig zijn ze vaak. Gedachten aan het warme land dat je achterliet, aan een vakantie die voorbij is, de regen waarin je weer terecht komt, het wordt er allemaal niet beter op. Ik weet niet wat ik met die gedachten moet. Vroeger, nog niet eens zo heel lang geleden, vond ik weemoedige gedachten fijn. Nog steeds wel, maar als de gedachten weg zijn, blijft het weemoedige gevoel.

Vroeger reed mijn vader ons naar Frankrijk. Zijn lichaamshouding, zijn blik en zijn manier van sturen hebben zich gekloond in mij, dat voel ik als ik rijd. We kwamen door Parijs en Lille, maar Lyon en Luxemburg zou korter zijn geweest. Dat kwam omdat ik graag over het viaduct van Millau wilde, en als je aan het begin een beetje anders rijdt, kom je op de Franse Autoroutes aan het eind heel anders uit. Vroeger gingen wij vaak op vakantie naar Millau. Het viaduct bestond nog niet eens. Ik heb het viaduct een keer gezien toen het nog in aanbouw was, en toen ik er een keer boven vloog, en nu ben ik er dus overheen geweest. En alle keren dacht ik aan mijn vader. De borden langs de weg met Lac de Pareloup, Salles Curan en Pont de Salars, ze doen me allemaal aan hem denken. Stiekem hoop ik dat achter die afslagen alles nog hetzelfde is gebleven.

Ik zat mij tijdens het rijden af te vragen welke dingen die ik onderweg tegenkwam, er vroeger ook al waren, zodat mijn vader ze ook gezien moet hebben.  Ik wist het niet. Ik wist niet eens zeker of de weg er al lag. Dingen die er vroeger ook al waren zijn dingen waaraan ik hecht, zodat 2016 en 1982 nog een beetje hetzelfde zijn. Ik besloot maar dat de bergen die ik zag er vroeger ook al lagen. Alleen stond er toen op elke top een kruis.

Ik hou te veel van het verleden en te weinig van het heden. Dat komt omdat mijn hersenen mij bedriegen en mij de mooie dingen uit het verleden voortdurend laten zien en me de lastige alleen voorspiegelen als ik in een soortgelijke situatie kom. Dat doen mijn hersenen toch nog goed, zo weet ik hoe ik met die lastige situatie om kan gaan. Desondanks is het natuurlijk een waardeloze uitvinding, dat een kind groot wordt.