Wolven op de Veluwe

Wolven houden mij al bezig sinds ik een kleine jongen was. Hoe dat precies zit weet ik niet meer, het moet te maken hebben met mijn drang naar avontuur dichtbij huis. Ik vond het mooie beesten en ik zou willen dat ze terugkeerden naar Nederland, zodat we hier ook iets gevaarlijks hadden. Ik heb er al vaker over geschreven, en een paar jaar geleden was daar de eerste wilde wolf die Nederland bezocht. En nu is er één gesignaleerd op de Veluwe. Onze achtertuin.

We hadden natuurlijk al wilde zwijnen, en voor de vorm zeiden we dat die gevaarlijk konden zijn, maar da’s natuurlijk flauwekul. Zwijnen rennen hard weg als ze je zien. Nu maakt één wolf nog geen wildernis, maar het is een beginnetje. Overigens word ik niet gelijk al te enthousiast, want in tegenstelling tot een blij ei van natuurmonumenten die zegt dat er in Nederland kennelijk ruimte is voor een “toppredator”, roep ik dat pas als hij binnen twee weken niet wordt doodgereden.

Ik denk eerlijk gezegd niet dat wolvenfamilies zich hier gaan vestigen. Daarvoor is het hier te druk, en is er teveel verkeer. Het zal wel bij een enkele verkenner blijven. Die er dan vervolgens achterkomt dat alle natuurgebieden zijn afgezet met hekken en wildroosters en hij niet naar binnen kan. En dus zijn familie niet laat overkomen. Ja, voor wolven zijn we keihard.

Advertenties

Monster

Vandaag liepen we een keer met z’n vieren in het bos om de hond uit te laten. Komt zelden voor want meestal ga ik alleen. Ik was ’s ochtends al gaan fietsen met Tammar, wat ook niet vaak voorkomt, maar vergeleken bij dat eerste, overvloedig. Beweging is belangrijk.

Wij hadden de hond uit het vorige logje weer meegenomen en beide honden rosten door het moeras dat het een lieve lust was. Tot er uit tegenovergestelde richting een man aankwam met een klein hondje, Monster. Toen Milo (da’s pas een monster) een kijkje ging nemen maakte Monster zich uit de voeten. Het baasje ging er achteraan en wij liepen verder. Na een kwartier kwamen we het baasje weer tegen, zonder Monster. Spoorloos. Het hondje had de benen genomen. Wij zochten maar even mee, maar na een uur was hij er nog niet. De baas had inmiddels zijn fiets opgehaald om sneller te kunnen zoeken. We hadden zijn telefoonnummer gekregen, mochten we Monster vinden. Ik maakte me een beetje zorgen, want Monster was maar klein, en de roofvogels die er vlogen, groot.

We reden naar huis, met een ronde om het natuurgebied heen om te kijken of we Monster nog ergens zagen. Maar nee. Eenmaal thuis informeerden we per app naar Monster, maar die was nog steeds spoorloos. Ik was bang dat het hondje verdronken was, het gebied is erg drassig, ik had al natte voeten van het zoeken, en sommige stukken waren ronduit verraderlijk. Ik besloot mijn fiets te pakken en terug te gaan naar het gebied waar Monster was zoekgeraakt. Aan de andere kant van het gebied zag ik haar baasje weer en nog steeds geen spoor. Het was nu bijna twee uur geleden en we moesten nu serieus gaan zoeken in het drassige gras, de rietkragen en de bosjes. Ik ging te voet de vlakte op en het baasje deed hetzelfde op een ander punt.

Maar toen kwam na tien minuten het verlossende appje, hij was gevonden. Goddank. Het baasje kwam me tegemoet en bedankte me oprecht voor het helpen zoeken. Een kleine moeite natuurlijk, als het mijn hond was geweest zou ik het ook fijn gevonden hebben als er hulptroepen kwamen. Monster was zelf naar huis gelopen. Zo eindigt het een spannend avontuur meestal in Nederland. Een soort van moeras, roofvogels, vossen, ik begon de moed al op te geven om hem nog levend terug te vinden, staat-ie gewoon thuis. Nou ja, eind goed, al goed. Ik had mijn beweging weer gehad vandaag.

Losse flodders

Het spannende avontuur is ten einde. De gevonden munitie is zojuist afgeleverd bij en in beslag genomen door de politie. Laat ik vooropstellen dat ik vind dat de politie prima werk levert. Zo nu en dan. Maar ik weet nog vroeger dat ze recruteerden met de kreet: ‘als je mond je sterkste wapen is’.

Communicatie is in elk geval niet hun sterkste wapen. Dat gaat gewoon geen enkele keer goed. Ik zocht het nummer van de politie Epe op hun site en belde het. Ik legde uit dat we munitie hadden gevonden, dat ik in Vaassen woonde, en mij werd verteld dat ik nu met Utrecht belde en dat ik dus verkeerd zat. Ik sputterde tegen dat ik gewoon het nummer van Epe belde, maar mevrouw was onvermurwbaar en herhaalde: “ja, verkeerd, maar geeft niks, ik verbind u wel even door”. Dan ben ik natuurlijk al geirriteerd want mij wordt een fout in de schoenen geschoven die ik niet gemaakt heb.

Ik krijg de volgende aan de lijn. Ik vertel wie ik ben en waar ik woon, en of ik nu goed zit. Ja, ik zat goed. “Mooi, wij waren afgelopen weekend in Drenthe en zus en zo”…”Moment, ik verbind u even door met de politie Drenthe”. Voordat de man dat kon doen floot ik hem terug en zei dat ik niet de politie Drenthe wilde hebben, maar dat ik wilde weten wat ik met de vondst moest doen. Nou, dat wist de man ook niet, maar hij zou me laten terugbellen.

De volgende dag werd ik teruggebeld door een mevrouw en ik legde uit dat ik een kogelriem had gevonden. Of er nog kogels inzaten, vroeg ze. Daar was mijn ergernis weer. Ten eerste zou ik een lege kogelriem niet herkennen of melden en ten tweede had ik dat al twee keer verteld. Ik legde uit dat het losse flodders waren, maar nog niet afgeschoten -dat had ik inmiddels achterhaald- en dat die gevaarlijk waren. “Ja, dat weet ik niet, ik heb er helemaal geen verstand van”, zei de agente. Maar of ik dan langs kon komen op het bureau, en dat er dan eventuele inbeslagname zou volgen. Maar, daar werd wel de nadruk op gelegd, ik moest niet om vijf voor vijf komen, want om vijf uur sloten ze. Dus ik moest vroeg uit mijn werk vertrekken, zodat een dienstdoende agent niet tien minuten hoefde over te werken. Ergernis, ergernis.

Vandaag meldde ik mij met Hans op het politiebureau, om een uur of kwart over vier, en de dienstdoende agente wist nergens van. Ze was wel vriendelijk, dat moet erbij gezegd worden. Of ik een afspraak had gemaakt. “Nee”, legde ik uit, “ik ben gebeld met het verzoek of ik langs kon komen op het bureau”. Ze bekeek de kogels en ik zei dat het waarschijnlijk ongebruikte losse flodders waren. “Ja, dat weet ik niet, ik heb er helemaal geen verstand van”, zei ze. Ergernis, ergernis. Je bent potverdorie politie, je draagt een wapen, dan weet je toch wel hoe gebruikte en ongebruikte kogels eruit zien?

Ze liep naar achter en daar hoorde ik een gesprek met een hardpratende agent die wel gelijk zei, “het zijn losse flodders van het leger en die moeten in beslag worden genomen”. De agente kwam de boodschap overbrengen en vroeg bezorgd of ze ons wel verteld hadden dat in beslagname moest gebeuren?

Pff, het zijn hartstikke aardige mensen hoor, die agenten. En dat ze slecht communiceren, oké, oké, het zal wel, dat ze weinig verstand van kogels hebben vind ik opmerkelijk, maar dat ze zich godsamme drukker maken dat er niet overgewerkt moet worden dan dat ze mij gelijk instrueren hoe om te gaan met niet afgeschoten losse flodders, dat tekent voor mij toch wel een beetje de staat van het land. Kansloos als we aangevallen worden.

Een waar democraat.

Ik heb mijn democratische plicht gedaan en dat is nu eens niet ‘stemmen’, want dat is zo makkelijk, maar opkomen voor hen die zich niet kunnen verdedigen. ‘Hen’ zijn in dit geval twee zilveresdoorns die gekapt dreigen te worden door de gemeente. Ik had nog twee dagen om mijn bezwaarschrift in te dienen, en dat heb ik gedaan. Ik had nog nooit van zilveresdoorns gehoord, maar als ik uit mijn raam kijk staan er twee grote bomen die dat kennelijk zijn.

Iemand had een kapvergunning aangevraagd om er drie extra parkeerplaatsen aan te leggen. Voor drie extra parkeerplaatsen moesten deze twee zogenaamde toekomstbomen, beeldbepalend voor de buurt, wijken. Want de parkeerdruk zou te hoog zijn, en bovendien zou de verkeersveiligheid gebaat zijn bij die extra parkeerplaatsen.

Nee, dit overstijgt de democratische plicht van het stemmen. Dit is waar de democratie pas echt om gaat! Opkomen voor de zwakkeren en voor hen die geen stem hebben. Het zal wel niks uithalen, maar als ik straks naar een kale betonnen vlakte zit te kijken, hoef ik het mezelf in elk geval niet te verwijten. Hoewel ik me nog zou kunnen vastketenen aan een van die bomen. En mijn kinderen aan de ander. Er was trouwens ook nog een paardenkastanje in het kapproject betrokken. Maar die staat in een andere straat, dus daar heb ik geen bezwaar tegen gemaakt. Niet omdat ik niet om paardenkastanjes geef, maar omdat ik me niet wil bemoeien met politiek buiten mijn straat.

Ondernuts

Ik fietste vandaag naar Epe, mijn kroost moest mij verplicht en met tegenzin vergezellen. Ik wist ook niets beters, maar als ik niet ingreep zat mijn kroost de hele dag achter de computer. De enige bestemming die ik kon bedenken was Hans toekomstige school, dan wist hij vast de weg. Tammar werd snel enthousiast, maar Hans zorgde dat hij steeds verder achterop raakte, zodat hij mij flink irriteerde.

Toen we aankwamen zei hij: “mooi, kunnen we dan nu terug?” Ja hoor, dan kunnen we terug. Ik maakte nog even een foto om aan het thuisfront te laten weten waar we waren -het thuisfront waardeert het erg als ik Hans de weg wijs- en op dat moment kwam er een stel met een hond en een kind aanlopen. Ik zag eerst de vrouw, natuurlijk, blond, slank en een zonnebril, en toen pas de man. Het mannetje. Ik dacht nog, hoe komt dat ventje nu weer aan zo’n vrouw, maar toen zag ik het. Het was een ex-international, ex-Ajacied en huidig technisch directeur van Ajax. Ik noem geen namen uit privacy overwegingen.

Ik zei tegen Hans: “dat is Marc Overmars, die ken je toch wel?” “Jawel, dat is toch de Marcel Brands van Ajax,” zei hij? Vanaf dat moment klaarde zijn humeur op. We gingen niet vragen om een foto of handtekening, want dat zou nergens op slaan, omdat wij altijd grapjes ten koste van Ajax maken. Dan kun je nu ook niet om een handtekening vragen, dat is een belangrijk principe. Tenminste, dat was het vroeger. In deze tijd kun je beter met alle winden meewaaien, dat brengt je veel verder.

Op de foto die ik maakte had ik per ongeluk het gezin Overmars vastgelegd. Heel in de verte en onherkenbaar. De laatste keer dat ik hem tegenkwam is 25 jaar geleden, in een disco, ook in Epe. Hij had toen al de mooiste meiden om hem heen. Allemaal hoopten ze in de gunst te komen van de jonge Ajacied. Maar er kon er maar een winnen. Die liep nu naast hem. Labrador en zoon erachter. In de zon. Gewoner kon het niet.

Voor als je het gemist hebt.

Ik erger mij een beetje. En hoe terecht dat is weet ik niet, maar ik erger mij gewoon. Vanochtend zag ik dat er meer sneeuw was gevallen dan ik verwachtte dus stond ik ook eerder op dan ik verwachtte. De hond gaat namelijk los bij zoveel sneeuw, letterlijk en figuurlijk, en ik vroeg of Tammar meeging de hond uitlaten met de slee.

Nou ja, toen we klaar stonden belde er een vriendinnetje met een slee aan, of Tammar buiten kwam spelen. Dat wilde ze natuurlijk graag, dus ik ben alleen de hond uit gaan laten, zonder slee. Maar toch! Het was half tien en ongeveer de hele straat had zijn stoep al sneeuwvrij gemaakt. Daar zou ik toch langs gewild hebben met de slee. Waarom doen die neuroten dat, vraag ik mij dan af? Valt er een keer sneeuw, moeten ze de laag gelijk om zeep helpen, als een boze buurman die een bal lek steekt.

Nu ik toch op dat onderwerp kom van die boze buurman, hoe kan het nu dat die buurmannen daar vroeger mee weg kwamen? Als kind accepteerde je kennelijk dat je iets fout had gedaan als je een bal in buurmans tuin had getrapt, en als buurman die lek stak, was dat jouw eigen schuld. In mijn perceptie althans. Als je dat in deze tijd zou doen, zou je openlijk aan de schandpaal gaan.  Nu ben je toch als buurman fout en niet als kind? Eigenlijk zijn we wel iets opgeschoten in de beschaving. En toch ook weer niet. Want de boze buurman kan niet meer de dictator spelen, maar het kind respecteert het grondgebied van de buurman niet meer.

Nou ja, hoe het ook zij, de sneeuw lag er weer voor even. Ik heb een foto gemaakt, voor de mensen die het gemist hebben.
sneeuw

Lang leve de overbevolking.

Ik nam een pad in het bos dat ik nog nooit had genomen, tenminste, niet voor zover ik mij kon herinneren. Er zijn hier in het bos wat dingetjes gewijzigd qua afrastering, dus kon ik ineens edelherten zien op een plek waar vroeger alleen reetjes liepen. Ik wist het niet, maar ik zag er drie, direct aan de rand van het dorp. Ik wilde mijn telefoon pakken om ze te fotograferen, maar dat was al te laat. Ze sloegen op de vlucht.

Ik fietste door en een paar kilometer verder zocht ik toch mijn telefoon. Ik kon hem niet vinden. Misschien had ik hem toch niet meegenomen. Ik twijfelde. Ik was ervan overtuigd dat ik hem bij me had. Eenmaal thuis ging ik op zoek naar mijn telefoon. De handigste manier is dan te bellen om te horen waar hij ligt. “Met Karin,” hoorde ik. Dat is toch even schrikken. Karin’s zoontje had mijn telefoon gevonden, en hij was al blij dat hij een iPhone had, zei zijn moeder. Maar gelukkig had de moeder wel gezegd dat als er iemand voor belde dat hij hem dan niet kon houden. Ik heb hem opgehaald en aan het zoontje een vindersloon gegeven.

Dus op een maandagmiddag, op een pad waar ik nooit geweest was, drie kwartier na de vermissing was mijn telefoon al gevonden. Terwijl ik aan sommige mensen vertel dat de Veluwe onherbergzaam gebied is waar je kunt verdwalen en ze je binnen twee weken niet terugvinden. Dat gelooft dus ook niemand meer. Lang leve de overbevolking.